Verdriet en verlangen

Gisteren was ik naar een crematieplechtigheid van een buurman.  Slechts 56 jaar is hij geworden.  Iedereen in de buurt kende hem; regelmatig fietste hij langs, in werkkleren met zijn onafscheidelijke pet op zijn hoofd. Ter hoogte van onze achtertuin had ie een lekkere vaartje vlak voordat het fietspad omhoog liep, de galerij op. Vanwaar hij soms uit het niets kon opduiken voor een praatje met een van zijn buren. Hij was een doener die graag meewerkte in de buurttuin, of bij de restauratie van de oude camper van een van de andere buren. Natuur was zijn grootste passie. De laatste jaren werkte hij in het groenbeheer, volgde hovenierscursussen en vertelde honderduit over wat hij daar leerde. Het was een man die het gesprek begon met een mededeling. Want zomaar een praatje maken is spannend.

Verdriet

Tijdens de rouwplechtigheid waren we met velen: pleegfamilie en familie waarmee hij wisselend wel of geen contact mee had gehouden, oude vrienden en de thuiszorgmedewerkers die hem slechts vier dagen onder hun hoede hadden. Ook zijn jobcoach die aanvullend werk voor hem had gevonden, zodat hij ook in de wintermaanden iets zou verdienen. Maar vooral waren er veel buren. Allemaal waren we verdrietig en geraakt. Door wie hij was, en door de manier waarop hij stierf: hij overleed alleen in zijn eigen huis aan de gevolgen van een onverwachtse longbloeding. Zo graag hadden we hem een zachtere dood gegund,  of in ieder geval hand-in-hand met vrienden of familie. Maar er was nog een reden waarom we verdrietig waren. We herkenden iets van onszelf in hem. Namelijk zijn intense verlangen onderdeel te zijn van de gemeenschap.
Dat hij dat inmiddels was, heeft hij gelukkig ervaren, in de korte periode dat hij ziek was. Bezoekjes, appjes… hij genoot ervan.